Juf Anke jufanke.nl lesidee




Lesideeën voor een dramales

Drama als orthopedagogisch middel

Drama kan ingezet worden als orthopedagogisch middel. Hierbij gaat het erom dat de groepssfeer verbeterd wordt, dat kinderen zichzelf en elkaar beter leren kennen en dat sociale vaardigheden verder ontwikkeld worden. Verder zijn er verschillende dramaspelletjes gericht op de waarneming en concentratie.
Op deze pagina een aantal kortdurende spelletjes waar geen materiaal voor nodig is. Deze spelletjes zijn niet specifiek bedoeld om een dramales van een uur mee te vullen, maar kunnen ook gebruikt worden als tussendoortje.  

Een veilig klimaat voor een dramales
- spreek enkele regels af en houd je daaraan, o.a. iedereen is even belangrijk, we lachen elkaar niet uit en pesten wordt niet getolereerd. Herhaal de regels regelmatig en geef positieve feedback wanneer het goed gaat
- niemand wordt gedwongen iets te doen als hij/zij niet durft. Laat het kind even meekijken.
- geef zelf voorbeelden en doe mee
- creeër rust
- zorg voor duidelijkheid in wat je van de kinderen verwacht, hoe het spel gaat en zorg voor structuur: vaste plaats en tijd
- sluit aan bij wat de kinderen al kunnen, breid eerder gespeelde spelen uit
- sluit aan bij wat de kinderen leuk vinden
- vraag achteraf wat de kinderen met dit spel geleerd hebben
- ben voorspelbaar, benoem telkens wat je doet
- wanneer een kind niet serieus mee doet, de clown uithangt, laat het kind dan een ronde toekijken met de boodschap: 'kijk maar eens hoe wij dat doen'

Kennismakingsspelen

Dit zijn spelletjes om jezelf en anderen beter te leren kennen. Ze kunnen ook gespeeld worden in een klas waarin de kinderen elkaar al langere tijd kennen.

Ik hou van kinderen die...
De kinderen zitten in de kring op een stoel. Jij staat in het midden. Je zegt: ik hou van kinderen die... een spijkerbroek aan hebben. De kinderen met een spijkerbroek staan op en zoeken een andere stoel. Nu noem je iets anders wat je aan de kinderen ziet, bijv. ik hou van kinderen die een staart in hebben. Deze kinderen staan op en zoeken een andere stoel.
Vervolgens ga je zelf meedoen. Je zegt: ik hou van kinderen die oorbellen dragen. De kinderen die dit hebben staan op en zoeken een andere stoel. Ook jij probeert nu een stoel te bemachtigen. Nu blijft er één kind over. Dat kind staat in het midden van de kring en zegt: ik hou van kinderen die..... en probeert daarna ook een stoel te bemachtigen enz. enz.
Introduceer op een gegeven moment de regel: je mag niet opstaan en op de stoel naast je gaan zitten en je mag niet terug gaan naar je eigen stoel.

Wie wil jij als buren?
De kinderen zitten in de kring. Jij staat in het midden en vraagt aan een kind "wie wil jij als buren?" Dit kind moet snel 2 namen noemen. Deze kinderen komen naast hem/haar zitten. De kinderen die daar zaten staan op en lopen naar de lege stoelen. Vervolgens vraag je aan een ander kind "wie wil jij als buren?" De kinderen wisselen weer. Maar nu wordt het moeilijk: jij probeert ook een stoel te bemachtigen. Er is dus telkens een kind over dat in het midden van de kring moet staan en de vraag stelt "wie wil jij als buren?". Dit spel moet snel gaan en de buren mogen alleen de kinderen zijn die genoemd worden. Als je in het midden staat kun je dus niet snel op de stoel voor de buren gaan zitten, tenzij jouw naam genoemd wordt. Je moet ervoor zorgen dat je op de stoel gaat zitten van de kinderen die buren worden. Die stoelen komen leeg. Hoe sneller dit spel gaat, hoe moeilijker en leuker het wordt!

Stoelen meppertje
Eén stoel in de kring is leeg en één kind staat in het midden. Degene die de lege stoel rechts van zich heeft, mept en noemt een naam. Dat kind rent naar die stoel. Nu komt er een andere stoel vrij. Het kind dat die stoel rechts heeft mept en noemt een naam enz. Degene in het midden probeert de stoel te bemachtigen die vrij komt, vóórdat er een volgende naam genoemd wordt! Lukt dit, dan gaat degene die af is in het midden staan.   

Doe-wakka-doe-wakka-doe
De kinderen vormen een kring. Wijs een doewakker aan die in het midden gaat staan. De doewakker roept een naam, gevolgd door "links" of "rechts". Bijv. Lisa, rechts! Lisa zegt zo snel ze kan de naam van de speler aan haar rechterhand, voor de doewakker "doe-wakka-doe-wakka-doe" kan zeggen. Als het Lisa lukt, roept de doewakker een andere naam, zo niet, dan wordt zij de nieuwe doewakker.

Spiegel Spinnenweb
Nodig: bol wol
De kinderen zitten in een ruime kring. De leerkracht noemt een overeenkomstig kenmerk van zichzelf en een ander kind: "ik heb een bril op, Joris heeft ook een bril op". De bol wol gaat van de leerkracht naar Joris. De leerkracht houdt het uiteinde vast. Nu is Joris aan de beurt om een overeenkomst te zoeken: ik heb.... en ...... heeft dat ook. De bol wol gaat verder. Zo ontstaat er een spinnenweb.

Reactie- en concentratiespelen

Ritme-lawine
De kinderen zitten in de kring. Praat met de kinderen over een lawine.
Jij begint te klappen in een bepaald ritme. Na 3 klappen valt het volgende kind in (dat naast je zit), dan na 3 klappen het kind daarna, enz. enz.
Even later de lawine afbouwen. Iedereen klapt. Na 2 tellen stopt er telkens iemand met klappen, op volgorde van de kring, totdat het weer stil is.

Regenbui
Jij loopt door de kring. Je kijkt het eerste kind aan en maakt een geluid: je handen tegen elkaar wrijven. Dit kind doet jou na en blijft wrijven. Dan kijk je het tweede kind aan, het derde enz. Wanneer je een kind aankijkt, doet het kind jou na. Dan ga je voor de tweede keer de kring rond en knip je met de vingers. De kinderen die je aankijkt doen jou één voor één na terwijl andere kinderen nog steeds in de handen wrijven. Wanneer iedereen in de vingers knipt ga je voor de derde keer de kring rond en klap je zacht in je handen, de vierde keer is op de benen slaan, vijf is weer zacht in de handen klappen, zes is vingers knippen en zeven is in de handen wrijven. De bui gaat weer liggen!  

Alle vogels vliegen
De kinderen hebben hun handen plat op tafel of op hun schoot liggen. De spelleider geeft een opdracht, bijv. woorden die met de m beginnen. Als de spelleider een woord noemt met de m moet iedereen met de armen in de lucht 'fladderen'. Maar wordt er een woord genoemd dat met een andere letter begint blijven de handen stil.
Variatie: woordomschrijvingen geven. Goed is vliegen, wanneer je onzin vertelt blijven de handen stil.

Wekkertje tik
Er staat een wekker in de klas. Wanneer de secondewijzer boven is (bij 12) doen de kinderen de ogen dicht. Het is de bedoeling dat de kinderne proberen een minuut af te tellen. Wanneer de kinderen denken dat de minuut voorbij is, steken ze de hand op. De spelleider houdt bij wie het dichtst bij 60 sec. zit.

Samen doen we zachtjes
De kinderen zitten in de kring. Eén kind staat heel zachtjes op en loopt naar een medespeler, voor wie hij een buiging maakt. Deze speler staat vervolgens op en loopt naar een medespeler, net zo zachtjes als zijn voorganger. Het eerste kind gaat op de vrijgekomen plaats zitten. Het spel duurt net zolang tot er iemand geluid maakt door te praten, hoesten, giechelen e.d.
Variatie: 2 kinderen staan tegelijk op en begroeten elkaar in de kring door een buiging te maken.

Kneepjes doorgeven
De kinderen zitten in de kring. Iedereen heeft de handen vast. De leekracht geeft het kind naast zich 1, 2, 3 of 4 kneepjes. Dat kind gaat datzelfde aantal kneepjes doorgeven aan het kind naast hem. Zo gaan de kneepjes de kring rond. Hoeveel kneepjes heeft het laatste kind gevoeld?

Wie is het?
Eén kind wordt geblinddoekt. Een ander kind komt voor dit kind staan. Het geblinddoekte kind mag zijn/haar hoofd voelen. Wie zou dit zijn? Tijdens dit spel heeft de klas de opdracht muisstil te zijn.

Stiltespel
De kinderen krijgen opdrachten die zij zo stil mogelijk uit moeten voeren. Kinderen die niet aan de beurt zijn, moeten ook heel stil zijn, zodat zij kunnen horen of de opdracht onhoorbaar uitgevoerd wordt.
- Ergens naartoe lopen
- Iets oppakken en weer neerzetten
- Gaan staan en weer gaan zitten
- Op de stoel gaan staan
- De deur open maken en weer dicht maken
- De kast openen en weer dicht maken etc.

De stille bal
Nodig: een strandbal
De kinderen zitten aan hun tafel. Eén kind heeft een strandbal. Deze moet naar een ander kind gegooid worden, maar er mag niet gepraat worden! Door non-verbale communicatie zal het kind dus contact met een ander kind moeten maken en de bal moeten gooien. Wordt de bal niet gevangen, dan is de leerling naar wie de bal gegooid werd af, tenzij het om een slechte worp ging. Als je de bal gegooid wordt, maar de partner wist, door slechte communicatie, niet dat de bal voor hem bedoeld was, dan is de gooier af.

Het beeldenmuseum
De kinderen gaan vandaag aan het werk als standbeeld in een beeldenmuseum. Vertel de kinderen wat voor museum dit is. Een museum met dieren, een museum over het circus, een filmmuseum... Overdag moeten de standbeelden ontzettend goed stil staan. Ze mogen niet eventjes krabben of een voet verzetten, maar 's nachts, als de gasten naar huis zijn, komen de standbeelden tot leven. Er is alleen één probleem... de chagrijnige nachtbewaker. Hij loopt 's nachts tussen de beelden door en als hij een beeld ziet bewegen, wordt dat beeld ontslagen.
Alle kinderen gaan als standbeeld in de ruimte staan. De nachtbewaker gaat naar de gang. Wanneer iedereen goed staat, komt de nachtbewaker binnen en loopt door de ruimte. Aan de standbeelden de opdracht om zich te bewegen, een andere houding aan te nemen, even te ontspannen, een stukje te lopen, zónder dat de nachtbewaker dit ziet. Wanneer de nachtbewaker een kind ziet bewegen, is dit kind af en moet aan de kant gaan zitten. Wie houdt dit het langst vol?

Zintuigspelen

Waar komt het geluid vandaan?
De kinderen hebben de ogen dicht. Je maakt ergens in het lokaal een geluid. De kinderen raden waar het geluid vandaan komt. De kinderen moeten hierbij geconcentreerd luisteren

Dirigentje
Een spel voor de waarneming. Eén kind is de dirigent en doet voor wat de andere kinderen moeten doen. Eén kind staat in het midden van de kring en raadt wie de dirigent is. De dirigent moet dus subtiel te werk gaan.

Voelspel
Leg voorwerpen onder een doek. Eén kind voelt en omschrijft het voorwerp aan de klas. De kinderen leren in het goed voelen en omschrijven: hard, zacht, groot, klein, ruw, glad, dik, dun, hoekig, rond enz.

Levend memory
Twee kinderen gaan naar de gang. De kinderen in de klas zoeken een maatje en spreken een beweging af. Dan verspreiden ze zich door het lokaal. De twee kinderen komen binnen en noemen om de beurt twee namen. Deze kinderen laten hun beweging zien. Wanneer er een paar gevonden wordt, gaan deze kinderen zitten en krijgt de rader een punt.
Dit kan ook gespeeld worden met dierengeluiden, woorden, getallen enz.

De dief
Eén kind zit met de ogen dicht in de kring. Achter hem ligt een sleutelbos. De leerkracht wijst een kind aan. Dit kind probeert de sleutelbos te pakken. Hoort het kind in het midden iemand loopt, dan wijst dit kind in de richting waar het geluid vandaan kwam.
Makkerlijker: "Aap pakt banaan", achter het kind in de kring ligt een banaan.

Spiegelen
Twee kinderen gaan tegenover elkaar staan. De één doet van alles voor, de ander is het spiegelbeeld en doet dit zo precies mogelijk na.
Begin met eenvoudige bewegingen op muziek. Daarna kun je dit spel uitbreiden tot toneelspel.
De leerkracht geeft opdrachten, zoals 'we zijn in een restaurant', 'we gaan naar de dierentuin', 'we zijn heel blij', 'we hebben een voetbalwedstrijd verloren' etc.
Variaties:
* De spiegel speelt een domme spiegel. Hij doet alles precies verkeerd. Gaat het kind naar links, gaat hij naar rechts, pakt het kind een haarborstel, is hij de borstel kwijt etc.
* Het luie spiegelbeeld: doet alles met tegenzin en maar half.
* De gemene spiegel: Wanneer de echte persoon niet kijkt, doet de spiegel allemaal gemene dingen.
* De hysterische spiegel: Maakt alles 10x groter dan in het echt gedaan wordt.

Kopieerspel
De kinderen staan in de kring. Het eerste kind maakt een beweging. Het tweede kind probeert dit zo precies mogelijk na te doen. Zo gaat de beweging de hele kring rond.
Variatie: elk volgende kind mag een tikkie overdrijven. De beweging wordt steeds groter.

Vertrouwensspelen

Blindelings vertrouwen
- De kinderen werken in tweetallen. Eén kind heeft de ogen dicht. De ander leidt dit kind door het lokaal.
- De kinderen werken in tweetallen en spreken samen een codewoord af. Alle leerlingen verspreiden zich door het lokaal en gaan op zoek naar hun maatje. Ze lopen met de ogen dicht en roepen het codewoord om zo hun maatje te vinden.
- Doofhof: de helft van de groep wordt blind, de anderen zijn leider. De blinden gaan naar de gang. De leiders maken met stoelen en tafels een doohof in de klas (tussen stoelen door, onder stoelen of tafel door, over stoel heen enz.) Dan gaat elke leider zijn blinde halen en leidt hem of haar door het doolhof. De leider bepaalt hoe hij aanwijzingen geeft: met woorden, door vast te houden enz.

Slappe pop
De kinderen vormen een kleine, dichte kring van ongeveer 7 kinderen. Eén kind staat in het midden en doet de ogen dicht. Dit kind valt naar voren en wordt door de kinderen in de kring opgevangen. Het kind probeert een slappe pop te zijn en valt zo alle kanten op. Vertrouwen is hierbij erg belangrijk!

De bruisende rivier
De kinderen zitten op stoelen in een kring en schuiven de stoelen zo dicht mogelijk tegen elkaar. Nu gaan de kinderen op de stoelen staan. Ze staan op een brug met veel rotte planken ertussen. Deze kunnen ieder moment breken. Onder hen ligt de bruisende rivier vol krokodillen. De kinderen moeten voorkomen dat ze in de rivier vallen.
De leerkracht haalt telkens een stoel weg. De kinderen moeten nu bij elkaar op een stoel gaan staan en elkaar stevig vast houden. De kinderen moeten erop vertrouwen dat ze elkaar niet laten vallen. Het spel stopt wanneer iemand "verdronken" is.

Man bij de grens
In de kring wordt van een aantal stoelen een grens gemaakt. Tussen de stoelen zijn één of meerdere openingen. Eén kind is grensbewaker en krijgt een blinddoek om. Een ander kind krijgt ook een blinddoek en moet door een gat in de grens zien te komen. Dit hoeft dat kind niet alleen te doen, iemand met de ogen open mag hem/haar leiden. Het is de bedoeling dat dit zonder woorden gebeurt. De grensbewaker mag immers niet horen waar de "boef" zich bevindt.

Knoop
Maak een kring en geef elkaar de hand. Eén kind gaat naar de gang. De kring legt zichzelf in de knoop: loop naar elkaar toe, stap over de armen van anderen heen, draai jezelf om een ander enz. Het kind van de gang komt terug. Zijn taak is de groep weer uit de knoop te halen, zonder dat de handen los gaan! Uiteindelijk zal de groep weer in de kring staan waarin ze begonnen zijn.
Dit is een vertrouwensspel, omdat je bij dit spel gedurende langere tijd dicht op elkaar staat en elkaar vast moet houden.

Aanbelspel
Doel: in de groep durven praten en nee durven zeggen (assertiviteit).
Eén kind belt bij een ander kind aan. Dit kind vertelt waarom hij aanbelt. De kinderen spelen een kort toneelstukje. Regel: degene die opendoet gaat altijd mee met het verhaal van degene die aanbelt. Je kunt niet zeggen "dat is niet zo".
Kinderen morgen "nee" zeggen wanneer iemand aanbelt: "nee, je kunt niet binnenkomen".
Voorbeelden: ik kom collecteren, mag ik even bellen, u heeft de loterij gewonnen, er is brand, u heeft mijn kat aangereden!

Emotiespelen

De emotiebus
Er staan een aantal stoelen voor de klas. Hier zit jij als chauffeur in. Eén kind stapt in de bus en beeldt een emotie uit, bijv. blij. Iedereen in de bus neemt deze emotie over. Nu stapt er nog een kind in wat bijv. verdrietig is. Iedereen in de bus wordt verdrietig enz. Wanneer de bus vol is en er komt een kind bij, moet degene die er het langst zit uitstappen.

Treinreis door emotieland
Maak met de klas een lange trein (polonaise). Wanneer de conducteur, die achterin de trein loopt, fluit, stopt de machinist (deze loopt voorop). De conducteur roept: "we zijn in het land verdrietig aangekomen". Onmiddelijk wordt iedereen in de trein heel verdrietig en rijdt de trein weer verder, tot de conducteur weer fluit, enz.

Emotiehints
Maak kaartjes met emoties of doe alsof.... (je kiespijn hebt, je een prijs gewonnen hebt, je huisdier overleden is). Laat een kind dit voor de klas uitbeelden. De groep raadt wat uitgebeeld wordt

Ik voel me...
Leg kaartjes met de basisemoties op verschillende plaatsen in het lokaal. Leg de kinderen een situatie voor. Hoe zou jij je dan voelen? De kinderen lopen naar de emotie waarvan ze vinden dat deze bij hen past. Bespreek met de kinderen waarom ze bij die emotie zijn gaan staan en laat zien dat er verschillen zijn tussen emoties van kinderen in situaties.

Binnenkomer
Bespreek van tevoren of in een eerdere les de verschillende emoties. Begin met de basisemoties blij, verdrietig, boos en bang en breid deze uit met enkele makkelijke emoties. Ik voel me..... (gelukkig, verliefd, verlegen, zenuwachtig, woedend, zielig).
Schrijf de emoties op het bord. Nu wordt er om de beurt een kind naar de gang gestuurd. Dit kind komt de klas in met een bepaalde emotie en loopt naar zijn plaats. De groep raadt welke emotie uitgebeeld wordt.

Denkspelen

Leuk voor in de klas, maar ook erg geschikt voor het schoolkamp of een verjaardag!

Berenpicknick
Ik ga naar de berenpicknick en neem mee..... Elk kind mag om de beurt iets noemen. Wanneer dit met de b begint is het goed en mag het kind mee. De kinderen moeten zelf ontdekken dat je mee mag wanneer je iets met de b noemt (andere letter kan ook).
Voorbeeld: kind zegt brood, jij zegt goed, je mag mee. Kind zegt kaas, jij zegt, je mag niet mee enz.

Het land van geen idee
In dit land groeien bomen, maar geen struiken, wel bloemen, maar geen hyacinten, er zijn wel bussen, maar geen dubbeldekkers enz. De kinderen mogen vragen stellen: zijn er .........? Wanneer er geen i of d in het woord zit dan is het er, wel een i of d is er niet, want... het land van geen ID!! De kinderen moeten dit zelf ontdekken.

Het mysterie van de schaar
Ga met de klas in een kring zitten. Je geeft een schaar door. Begin zelf. Maak de schaar een keer open en weer dicht en geef hem duidelijk op een bepaalde manier aan de volgende. Dit kind moet de schaar vervolgens weer doorgeven. Jij zegt of het goed of fout was. Wat de kinderen niet weten is dat de manier van doorgeven niet alleen met de schaar te maken heeft, maar ook met hun houding. Zit een kind met de benen naast elkaar, dan moet de schaar dicht doorgegeven worden. Zit een kind met de benen over elkaar, dan moet de schaar open doorgegeven worden. Wie kan dit ontdekken?

9 Vierkantjes
Teken 9 vierkanten op een vel papier of op het bord. Spreek met één kind af hoe het spel werkt. Dit kind gaat vervolgens naar de gang. Met de klas kies je een hokje uit. Het kind van de gang komt terug en kan precies raden welk hokje door de klas aangewezen is. Dit gaat namelijk zo:
Jij wijst telkens een hokje aan en vraagt of dit het goede hokje is. Als je wijst, wijs je in dat ene hokje op de plek waar het hokje dat gekozen is in het grote geheel zit. Heeft de klas het hok linksboven gekozen, dan wijs jij in ieder hokje linksboven aan, terwijl je vraagt "is het dit hokje?" Heeft de klas rechtsonder gekozen, wijs jij telkens rechtsonder aan in de verschillende hokjes etc.

Speuren naar de stoel
Kies één speurneus uit en vertel dat kind hoe het spel werkt. Vervolgens gaat dat kind naar de gang. Er staan 3 stoelen voor de klas. De klas kiest één stoel uit. Iemand gaat er even op zitten.
Vervolgens mag de speurneus in de klas komen. Jij roept hem als volgt:
Is stoel 1 gekozen, roep je KOM
Is stoel 2 gekozen, roep je KOM MAAR
Is stoel 3 gekozen, roep je KOM MAAR (naam kind)
De speurneus kan uit het aantal woorden dat je roept opmaken of het stoel 1, 2 of 3 is.

Black magic
Ook bij dit spel vertel je één kind hoe het werkt. Wat na iets zwarts komt is goed!
Dit kind gaat naar de gang. Kies met de groep iets uit, net als bij ik zie, ik zie, wat jij niet ziet. Roep het kind van de gang.
Vraag is het ......? is het .......? of is het .......? Noem voordat je het voorwerp wat het is, iets zwarts, bijv. is het de zwarte stoel? Hierna noem je het voorwerp wat de klas gekozen heeft. Het kind dat moet raden weet: na iets zwart komt het goede.

Stokjes
Neem enkele stokjes, rietjes of potloden. Leg de stokjes telkens in allerlei figuren en vraag de kinderen welk getal het is. Doe alsof er een logica in zit en denk goed na hoe je de stokjes neerlegt. Maar... eigenlijk maakt dit helemaal niks uit! Telkens als je de stokjes op een bepaalde manier neergelegd hebt, doe je je armen over elkaar en laat je met één hand onopvallend zien hoeveel het getal is. Doe dit door 1, 2, 3, 4 of 5 vingers op je arm te leggen. Hoger dan 5 kan niet.
Hoe snel hebben de kinderen in de gaten dat jij telkens gewoon aangeeft wat het getal is?

Plaatsnamen
Jij noemt als eerst een plaatsnaam. Je begint met Ehh.. en zegt dan de plaatsnaam. Daarna is degene naast je. Wanneer er met Ehh... begonnen wordt is het goed, anders niet! Wie kan dit ontdekken?

Ik zie de maan...
Wijs met een potlood o.i.d. ergens in de lucht en zeg heel stellig: "Ik zie de maan!"... alsjeblieft. En je geeft het potlood door. De volgende moet de maan ook zoeken. Ook deze persoon zegt "ik zie de maan". Jij bepaalt of de maan echt gezien is of niet. Dit hangt ervan af of de persoon alsjeblieft heeft gezegd bij het doorgeven van het potlood! Wanneer heeft iedereen dit raadsel door?

Toneel / Drama

Tableau vivant
Een tableau vivant is een levend schilderij of levende foto. Bij deze activiteit beelden de kinderen een verhaal in stilstaande beelden uit.
De kinderen werken in groepjes van ong. 4. Kies een thema, bijv. sprookjes. Elk groepje kiest een sprookje en beeldt dit in 3 of 4 foto's uit.
Voorbeeld: Een groepje heeft Roodkapje gekozen. In de eerste foto staat Roodkapje bij haar moeder. De wolf is in het bos. Op de tweede foto plukt Roodkapje bloemen. De wolf kijkt naar haar. Op de derde foto ligt de wolf in bed en komt Roodkapje binnen. Op de vierde foto komt de jager langs. Gebruik een groot laken of doek waarachter de kinderen telkens klaar gaan staan. Wanneer het doek omlaag gaat, staan de spelers stil en is de foto te zien. Wanneer het doek weer omhoog gaat, gaat de groep klaarstaan voor de volgende foto.
De klas mag raden wat er uitgebeeld wordt.
Zorg voor attributen die de kinderen kunnen gebruiken, zoals verkleedkleding, maskers, pruiken, hoedjes, mandjes etc.
Het is ook leuk om een decor voor je toneelstukje te schilderen! Verf een decor op een flink stuk behangpapier. Bij elk tableau vivant wordt het decor verwisseld.

Bankje in het park - inspringspel
De kinderen zitten in de kring of in een rij. Voor de klas staat een bankje of 3 stoelen. Op het bankje zit een kind. Dit kind zit in het park en speelt gewoon zichzelf. Er zijn nog 2 stoelen vrij. Er mag een kind inspringen. Dit kind mag een rol spelen en ook op het bankje komen zitten. Wanneer alle 3 de stoelen bezet zijn, spelen deze 3 kinderen hun rol, net zolang tot er iemand weg gaat. Nu komt er een plaats vrij en mag er weer iemand naar het bankje gaan. De spelers mogen allerlei rollen aannemen, een zwerver, aliën, brandweerman, koning, hond, disneyfiguur, baby...

Links

* Website met dramalessen en uitleg bij verschillende vormen van dramaspel.
* Dramalessen van Carolijn Leisink. Ook vindt u hier spelkaartjes.